| Eva |
Dak
Mijn dak, de sterren en de stad.
Achter mij het kleine schijnsel van de lamp, het bed, een toevluchtsoord
onder de wijde koepel van de nacht.
Ze ligt te slapen daar, de eerste en de liefste vrouw, de mijne.
De uren werden dagen en toen jaren, sinds ik haar kuste, lang terug.
Zoals de tijd toen stil kon staan, zo glijdt hij nu voorbij.
Beneden mij het leven nog, de
straten, het roepen, geluiden in de verte.
En ik, ik ben nog hier, en ook mijn wensen.
Wat is er nog te wensen?
Het wonder van de liefde stilde vele vragen en heeft genoeg geheimen.
En toch, ik ben nog hier.
Ik vraag, dus ik besta. Ik luister,
dus ik leef.
Ik ben een man, dus ik verlang.
Naar zachte armen, warme tongen, vuur, beloftes, vreemde reizen door de
onbekende namen van de straten in de stad.
Ze draait zich om, hoor ik. Ik
denk: Hoe nu?
Hoe zorg ik dat het altijd morgen wordt en wij elkaar weer zien?
De wingerd grijpt en klimt. Het
water wacht als inkt.
Een muur praat zachtjes in gescheurde woorden.
Ik ben nog hier. Mijn hart, mijn bloed.
De maan die zwijgt. De tijd staat stil.
Dan legt de nacht haar woorden in
mijn mond.
Ik heb besloten, draai me om, en ga naar binnen, naar het bed.
Ze richt zich op.
Haar naakte schouders, haar mooie, kleine handen.
Ik zeg: 'Ik geef je zeven nachten.
Maar zonder tijd, en vol genot. Volvragen en verwachten. Je zal je zelf
verbazen, zo sterk zal je verlangen. Ik zal
het zien. Ik geef je vreemde mannen, ik geef je vreemde vrouwen, ik geef
je
vreemde wensen. Schreeuwen zal je, janken, zoeken, vechten, bijten, en
misschien vergeten. Je zal het zien. Maar altijd als je terug komt ben ik
hier.
Je zal me altijd vinden.'
Ze kijkt me aan, haar ogen peilloos
diep en zacht.
Een vreemde vrouw, de eerste, de mijne.
'Goed,' zegt ze
'je krijgt er zeven terug.'
|