|
Een groep ganzen vliegt in formatie
over. In V vorm doorkruizen zij het luchtruim hoog in de lucht. Als twee
linten, in de kop aan elkaar geknoopt. Daarboven donkergrijze wolkenpartijen. Wolkenpartijen boven een vlak landschap dat doorweven is
door sloten met geknotte wilgen erlangs.
Goudgeel riet wuift heen en weer,
het water draagt kleine schuimkoppen. |
Het is guur. De veelkleurige
schoonheid van de herfst is over haar hoogteput heen. Een week lang
miezerde het al, was het klam.
Vanuit het raam kijk ik nog even over het polderlandschap heen en draai me
dan om. Binnen is het behaaglijk warm.
Ze staat strak tegen de muur. Haar benen ligt gespreid, armen boven het
hoofd gebonden aan houten binten die het dak van het monumentale, kleine
pension ondersteunen. Statig als een beeld is ze.
Ik zie haar borsten zwaar op en neer bewegen. Bij elk geluid stokt haar
ademhaling even. De zwarte blinddoek beneemt haar het zicht. Ik kijk naar
haar, zie spieren sierlijk bewegen onder de huid terwijl ze in een
afwachtende houding staat. Ze siddert. Ik leg mijn hand op haar warme
borst om haar hart te voelen kloppen. Buiten blaast de schrale wind langs
het houten pension dat met een paar boerderijtjes verloren in het
polderlandschap staat. De regen slaat met vlagen op het dak. Ik denk aan
wat Marsman ooit schreef:
Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan,
Rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
De lucht hangt er laag
En de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.
|
|
Steeds weer kan ik mij verwonderen
over dit gedicht. Zo wonderlijk mooi, zo werkelijk.
|
Het werd guur die nacht. De
schrale wind was aangezweld tot een storm die aan de dakranden trok en
fluitend het pension omsloot. Ergens klapperde er een deur. Het houtwerk
waaruit het huis was opgebouwd kreunde onder de kracht van het
natuurgeweld. Regen was hagel geworden, die af en toe bij vlagen op het
huis neersloeg. Alles leek nietig, kwetsbaar.
Ik had haar boeien losgemaakt, haar polsen met touw achter haar rug
gebonden en haar armen strak naar elkaar getrokken met een ander touw.
Strak, zodat haar borsten trots naar voren kwamen, haar tepels als de
uiterste punten, bepaalde pronkend de richting waarheen haar bovenlichaam
was gedraaid. Ik streelde, er ging een siddering door haar heen.
Ze droeg nog steeds de blinddoek. Voor haar was het zo een extra zwarte
nacht, het moment van dromen, het moment van alleen maar voelen,
ondergaan, maar ook van angst.
|
|

|
Angst voor de storm.
Ik pakte de rubberen bal, deed deze in haar mond en maakte de riempjes aan
de achterzijde van haar hoofd vast. Ik leidde haar naar de houten stoel en
streelde onderwijl zacht haar hals, gezicht, borsten, vulva, heupen en
fluisterde: 'je bent vannacht van mij!'.
|
Een heftig gekraak. Een tak breekt
ergens met veel geweld van een boom af. Een hond begint te blaffen.
Bliksemflitsen. Eerst veraf en dan nabij. Langgerekt en dan gevold door
gerommel dat aanzwelt en dan het geluid dat die van duizend kanonnen
overstijgt. Ze schrikt. Als ze geen blinddoek voor had gehad, had ik haar
schichtige blik gezien. In een schrikbeweging trachtte ze vergeefs
overeind te springen. Alleen de stoel kraakt onder de aangezette kracht
van haar spieren en verschoof een paar centimeter.
Ze zat stevig op de stoel gebonden. Haar armen achter de rugleuning
vastgeknoopt. Haar benen gespreid aan de voorpoten van de stoel. Haar
middel met een touw aan de spijlen van de rugleuning. Het was een mooi
beeld. De rondingen van haar lichaam. De zacht glooiende lijnen.
'Rustig maar, ik ben vlakbij', fluister ik geruststellend en pak dan haar
hoofd tussen mijn handen en geef een tedere kus op haar voorhoofd. Ze
zweet, ik veeg het nat van haar voorhoofd.
De wind dringt binnen tussen de
kieren van de ramen door, het dak en de deuren. Van tijd tot tijd gaat er
een koele luchtstroom door de ruimte heen. De waxinelichtjes die branden
flikkerden dan als een ballet van kleine vlammen. Dan neemt de warmte weer
bezit van de ruimte. De kachel loeit. Speeksel dat zij door de rubberen
bal niet weg kan slikken loopt vanuit haar mondhoeken over haar kin. Ik
proef het met mijn lippen, veeg het weg met mijn tong. Wat is er groter,
het verlangen of de angst voor deze nacht, voor de storm?! Ik voel haar
strijd en wil de absolute winnaar zijn. Ik wil alles voor haar zijn, omdat
zij vannacht van mij is. Haar ridder, haar bezitter, die neemt en geeft.
Waar ze veilig is, waar ze zich veilig voelt.
Af en toe hoor ik buiten iets
vallen. Glas, hout, maar ook het doffe geluid van steen dat kapot slaat.
Het moeten dakpannen zijn, bedenk ik mij. De geluiden worden door de storm
weggedragen.
Ze schrikt als ik vanachter met mijn linkerhand een van haar borsten pak,
hem door mijn hand laat glijden tot ik bij haar tepel ben. Onder de tepel
druk ik mijn duim en wijsvinger samen. Met mijn rechterhand plaats ik een
klein klemmetje op haar nippel. Het is een gemeen klemmetje, strak, met
kleine tandjes die zich ik de huid vastbijten. Aangeschaft in een winkel
voor huishoudelijke artikelen. Ze kreunt en ik voel hoe haar spieren zich
aanspannen, hoe ze kracht opbouwt in haar armen, benen, buik. Haar vingers
ballen zich machteloos tot vuisten samen. Dan ook zet ik een tweede
klemmetje op de andere. Ze trilt en haalt snel adem. Ik hou mijn gezicht
bij haar neus en voel de warme luchtstroom wanneer zij uitademt. Ik geniet
van die warmte.
Even is de storm wat geluwd. Buiten
hoor ik stemmen, geroep van mannen. Ook begint de hond weer te blaffen.
Dan doe ik iets gemeens. Pak twee lange veters, de uiteindes knoop ik vast
aan de klemmetjes. De twee andere uiteindes aan haar duimen die ik iets
naar achteren trek, trek dan de veters strak. Ze kermt zacht en wordt nu
gedwongen om haar duimen naar achteren gebogen te houden om de
pijnscheuten die de klemmetjes door haar tepels laat gaan, dragelijk te
houden.
De storm zwelt weer aan. Het was
maar een korte rust die hij zich gegund had. Rust om even op adem te
komen, op krachten te komen. De mannen buiten hoor ik niet meer. De hond
zwijgt.
Ze is mooi, haar huid zo glad, spiegelend door het zweet, beweegt
voorzichtig onder haar ademhaling, zoals ik teder haar borsten streel,
'kom op meisje', laat dan mijn hand naar onderen glijden. over haar warme
buik heen, over haar warme liezen heen, over haar blanke dijen heen, tot
ik bij haar lippen ben. Daar buig ik mijn middelvinger en laat deze bij
haar naar binnen glijden. |
Ze is nat, ze kreunt,
ze kermt. Ik voel dat ik een voorsprong op de storm heb, masseer
haar bemoedigend en trek dan mijn hand terug. Ik hoor haar
teleurstelling als zij vanachter de rubberen bal zacht jammert en
schenk mijzelf dan een glas wijn in om naar haar te luisteren, haar
te bekijken, van haar te genieten en ga met een tweede houten stoel
tegenover haar zitten. Ik voel mijzelf gloeien. De wereld draait om
de onze heen.
|
 |
De storm is naar een tweede plaats
verdrongen. Hoezeer hij ook zijn best doet om te imponeren. Zijn adem
haalt het niet bij de onze. Woest trekt hij aan de bomen, aan de daken,
aan alles wat kan rammelen. Briesend als een dolle stier.
Ik heb het rijzweepje opgepakt en
speel ermee. 'Hoever kun je van mij zijn', spreek ik haar zacht toe
terwijl ik plagend met de uiteinde van de zweep over haar borsten streel,
hoe ik hem de ingang van haar vagina laat vinden en hem langzaam draaiend
naar binnen breng. Ik speel met haar. Met haar dijen, borsten, benen, hals
en geef een gevoelige tik op haar toch al pijnlijke tepel. Ze schokt, maar
slikt dapper kreunend vanachter de rubberen bal een kreet weg. Ik plaag
haar, treiter haar, geniet van haar reacties, deel meerdere gevoelige
tikken uit, maar ze blijft dapper de tanden op elkaar bijten. Soms wil ze
gefrustreerd haar vingers ballen, maar wordt dan geconfronteerd met het
feit dat dit pijnlijke consequenties heeft. Ze probeert een tussenweg te
vinden, een beetje weg te draaien met haar bovenlichaam, maar ontkomt niet
aan het spel waarover ik de controle heb.
Ik laat het zweepje zakken, sta op
en buig mij over haar heen. Ik kus haar speeksel weg, voel haar adem
schokken, haar hijgen, laat haar op adem komen, masseer haar hals,
schouders, haar handen, kus haar neus. Dep het zweet van haar voorhoofd.
'Ben je van mij vannacht'? vraag ik haar fluisterend. Ze knikt terwijl ze
probeert te antwoorden. 'Wat wil je liever. Wegkruipen voor de storm of
van mij zijn', ik pauzeer even en ga dan verder, ' wegkruipen voor de
storm? Knik dan maar. Ik snij dan alle touwen los en dan kun je jezelf
onder de dekens verbergen'.
Ze schudt haar hoofd van nee en legt haar hoofd dan achter in de nek. Haar
ademhaling is gejaagd. 'Goed, we gaan dan naar de bodem van je wensen,
naar het middelpunt van je verlangens, naar de grenzen van je dromen, we
reizen vannacht samen. Ik leidt'.
Ik maak de veters voorzichtig los
van haar duimen. Voorzichtig omdat ik mij ervan bewust ben dat dit nu een
erg pijnlijke handeling voor haar was. Ze kermt dan ook. Ik druk haar
gezicht tegen mijn borst. Voel hoe ze snikt, hoe ze pijn heeft. Ik ruik
haar haar, laat er mijn vingers doorglijden, laat het door mijn vingers
glijden.
Als ze wat rustiger ademhaalt vraag ik of het nog gaat. Dapper knikt ze
van ja en kus dan haar lippen rondom de rubberen bal vochtig.
Beneden in het pension hoor ik
gestommel tussen het gegier van de storm door en wat vage stemmen. Dan ook
een klap. Ik vraag mijzelf af of ik niet moet gaan kijken? Er is misschien
wat aan de hand zijn en wellicht was mijn hulp meer dan welkom?
Ik hoor dat er wat verplaatst word, maar de stemmen kwamen verder rustig
over. Ik besloot geen polshoogte te gaan nemen. Als het nodig mocht
blijken dan zou ik dat wel horen, aan de toon van de stemmen, of misschien
wel aan geklop op de deur? De strijd tussen ons en de storm zou op deze
zolderkamer uitgevochten worden.
Ik was achter haar gaan staan. Mijn
God, wat was het een heerlijk en opwindend schouwspel, hoe haar lichaam
schijnbaar traag en mooi bewoog in al zijn beperkingen. Met haar diepe
ademhaling was ze krachten aan het verzamelen, ik ging zitten en bekeek
haar weer vanaf een afstandje. Een kleine pauze om van het schouwspel te
genieten., voelde haar verlangen die mij uitnodigde.
Ik hield van dit spel. Iemand bespelen, tot bijna wanhoop op te jagen, te
pesten. Totdat ze uiteindelijk als kneedbaar was in mijn handen is.
Ik pakte een vibrator, zette deze zachtjes aan en drukte hem strelend
tegen haar vulva. Er ging een schok door haar heen, en ze drukt haar
bekken naar voren. Een bijna wanhopig geluid komt vanachter de bal
vandaan. 'Ik heb je', bedacht ik mijzelf glimlachend. Geen storm kan tegen
ons op. Ik voel haar lichaam schokken, maar verbied haar klaar te komen.
Steeds weer druk ik plagend de vibrator tegen haar vulva, soms een beetje
strelend tussen haar lippen door. Ik hoor frustrerende geluiden, bijna
gejammer, als ik hem dan weer terugtrek, zwaar beweegt haar hoofd heen en
weer.
Dan stop ik na een tijdje, maak
haar benen los en bind haar enkels, met een kort stuk touw ertussen, aan
elkaar, loop naar achter de stoel en ontknoop het touw dat haar handen en
middel aan de rugleuning van de stoel gebonden hield.
Vervolgens pak ik dan de uiteinde van de vetertjes beet en trek deze
langzaam omhoog. Oei, de pijn op haar tepels moet fel zijn als ze zo
kermend gedwongen overeind komt. Ik doe het voorzichtig, weet dat het
verdomd veel pijn moet doen, maar als ze meegaat met de beweging, dan
blijft die pijn beperkt. Braaf schuifelt ze met mij mee. Schuifelend omdat
het korte stuk touw tussen haar enkels, daadwerkelijke passen verbiedt. Ik
hoor haar snikken. 'Je bent nog steeds van mij', fluister ik haar zachtjes
en vragend toe. Ze slikt even voor ze dit knikkend bevestigd. Voorzichtig
maak ik de riempjes van de rubberen bal los. Ze staat intens te trillen.
'Beloof me dat je niets zegt. Elk woord wordt bestraft'. Ik druk mijn
lippen op de hare die hevig trillen en kus haar zachtjes, proef haar tong,
haar speeksel, terwijl mijn handen over haar lichaam strelen en ik mijn
stijve lid in mijn broek tegen haar vulva duw. Er gaat een huivering door
haar heen. De aanraking van mijn lichaam tegen de klemmen op haar tepels.
Ze draagt het. Ik neem dan een slok van de rode wijn, laat het in mijn
mondholte en geef het haar middels een kus. Zet dan het glas aan haar
lippen en hou haar stevig vast.
Dan twee harde knallen boven ons
hoofd, gevolgd door het grimmige gefluit van de storm die via het dak
probeert binnen te dringen. Het waren pannen die van het dak werden
afgeslagen door de kracht van de briesende. Het lukte hem niet om zich bij
zijn hopeloze achterstand neer te leggen.
Ik kijk eens grijnzend naar boven en richt dan mijn aandacht op mijn lief.
|