|
In een knaap
van een regenbui ren ik de school binnen. Hol de gang in en stop even om
mijn rubber handschoenen aan te doen. Zachtjes doe ik de deur van het
leslokaal open en sluip naar binnen en doe net alsof ze me niet zien.
Tuurlijk wel, ze kennen me zo langzamerhand wel. Maar ze spelen het spel
mee tot ik naast de leraar sta.
"Ken jij de tafel van zesentwintigeneenhalf" vraag ik en hij
ook wel blij met een verzetje. Ik had er natuurlijk op geoefend, hij
niet . En bij ieder verkeerd antwoord blaas ik op mijn scheidsrechters
fluitje, waar ik drie erwten in gedaan heb. Klinkt dus niet normaal. Ook
al zijn het studenten van een jaar of achttien, de klas ligt dubbel en
het spel mag niet stoppen. `T wordt zo gek dat sommigen even menen ook
dwaas te mogen doen. Nou goed, de aandacht is gevangen en ik zwaai breed
met m`n armen en doe langzaam de grote boodschappentas open en begin
kleine zakjes steenkool uit te delen. (Ik ga niet eens uitleggen waarom)
Vertel over het tijdperk van vlak voor de eerste wereldoorlog. Dan neem
ik ze mee door de loopgraven van België en kom bij antikunst en de
redenen voor dadaïsme. Ik laat ze platen zien van Dali en vertel iets
over de levensloop van de man.
En toch gaat het te automatisch, te gladjes. Want ondertussen moet ik
denken aan mijn karweitje van vanochtend en of die ouwe mensjes vonden
dat ik hun huis wel goed genoeg had schoongemaakt met de hogedrukspuit.
En ik moet denken aan hoe ik die mensen vanmiddag weer nieuwe truukjes
zal leren gedurende mijn cursus : "Je pleurt gewoon wat in de pan,
als je koken kan", zodat ze betere maaltijden kunnen maken en er
eens lekker van genieten zonder t.v. En welke van deze studenten zullen
Gala`s liefde begrijpen, of de levensloop van Kurt Schwitters willen
weten? Maar `t loopt goed en nadenkende gezichten achter me latend zou
voldoende moeten zijn.
Als ik later thuis kom en klaar ben met van alles, hamert er een
zinnetje in mijn hoofd. Het is de titel van een gedichtenbundeltje van
Gerrit Achterberg :VOORBIJ DE LAATSTE STAD.
En ik vang mezelf handenwringend, en starend, en zonder doel: Ik ben
mezelf weer kwijtgeraakt De onrust heeft weer toegeslagen, ongemerkt
maar wurgend. En weer sta ik er verbaasd over dat ik het voor weken niet
zag aankomen. Ik drentel door het huis en zie een ander oud boek liggen:
W.F. Hermans : NOOIT MEER SLAPEN. En grinnikend sta ik me hardop af te
vragen of dan zo meteen de hele Anton Wachter reeks van Vestdijk ook nog
op de stoep zal staan. Ik voel, ik sta in een doodlopende straat:nat,
verziekt, halfverlicht en koud.
Ik loop naar de telefoon en draai je nummer.
Gelukkig neem je op.
De regen van vanmiddag is veranderd in een onweersbui en de donder knalt
over het weiland, zodat ik je naam nauwelijks versta en het voelt
vreemd, gemaakt en kunstmatig.
"De wolf gromt" zeg ik , zonder verdere introductie. Het is
even stil.
"De wolvin is wijd" antwoord je.
Goddank. Het hadden zoveel andere codes kunnen zijn, maar deze was ok.
Opgebouwd door tijd begrijpen we hoe het haasje hoest. Ik spring in de
auto, scheur door alle verkeersovertredingen en sta binnen een half uur,
bibberend voor je deur.
Je laat me
binnen en ik hakkel iets dat op een begroeting moet lijken, wat niet
lukt. Waar je dus geen aandacht aan schenkt en je loopt in je sarong, je
zwarte, leren bh en je zilverenaardboloorbellen voor me uit de woonkamer
in waarvan de deuren openstaan en de nu warme, natte wind, binnen komt
strelen.
"Kleed je uit !" zeg je gewoontjes. Ik haspel en frunnik en
probeer nog steeds gewoon of spelachtig te doen, maar dat lukt niet en
dus laat ik het allemaal maar gaan en sta naakt voor je, afwachtend,
verloren En gesproken woorden kan ik helemaal vergeten, die bestaan niet
meer, want m`n keel zit dicht.
"Voor me uit, de boomgaard in, neem de tas mee " zeg je, na
een halve minuut stil naar me gekeken, en ik weet, je gedachten
verzameld, te hebben.
"Stop en op je knieën", als we net het terras zijn afgelopen.
Ik laat me op handen en knieën zakken en voel de modder als een
dierlijke weldaad.
In ouderwetse amazone stijl klauter je op mijn rug en stuurt me naar de
appelbomen, door me aan mijn nog steeds wilde, maar nu grijsgevlokte,
haarbos vast te houden. Ik voel dat de tas op mijn rug wordt opengemaakt
en even later schuif je de lus van een dun koord om mijn pik en ballen.
Je trekt eraan om me meer snelheid wilt geven. Ik probeer een beetje een
galop, maar moet terugvallen tot gewoon verder ploeteren.
Als we tussen de bomen zijn pak je de handboeien en zet me simpeltjes
met een hand aan de stam aan een jonge boom. Probleem opgelost, want ik
kan doen wat ik wil, maar kan nergens heen. "Kom maar jochie, laat
maar zien wat je in huis hebt, pak die pik, trek en laat maar
horen" zeg je, terwijl je me parmantig aankijkt. Je duwt en pest me
met buitenzinnige zinnetjes, terwijl je rukjes aan het koord geeft.
"Laat maar gaan, ga maar tekeer; is `t je vader, of je moeder, die
god, of dominee".
"Vloek nou `s ff jij heilig boontje, of durf je niet, jij stijve
piet" , zeg je uitdagend.
Je pakt de zweep en onmiddellijk krijst het dunne leer op mijn billen.
"Zie je wel, dat krijg je nou als je altijd, altijd zo je best wilt
doen en nooit wilt overgeven." Je haalt weer uit en probeert mijn
pik te raken, die zijn best doet om een grote vent te worden. Je maakt
het koord dat om mijn ballen zit vast aan een andere boom en haalt het
stevig aan, zodat ik halfvoorovergebogen en heel ongemakkelijk aan twee
kanten vast sta. Dan pak je mijn zak en kneedt die afwisselend zacht
strelend en dan geef je er een pijnlijke ruk aan.
"Is dit nou niet lekker ?, kijk maar, je hebt al een stijve."
"Daar gaan we heerlijk van genieten.Trekken, jij geile hengst"
Ik trek,stroom vol, begin te zweten. Scherpe tanden slingeren speeksel
in mijn geest, muren tuimelen donderend om. En langzaam aan kom ik op
het nivo waar ik moet zijn. Ik durf niet maar weet toch dat ik het moet
doen. Ik scheld en vloek en ga tekeer, heel langzaam eerst en mompelend,
maar je blijft me opjagen met woorden die me tegelijkertijd opwinden en
afgrijzen bezorgen. De opwinding wint het en dan vrijer en uitbundiger
begint de stroom te breken:
"Jullie geile godverdomse teringhoeren die lekker in je hemel zit
te zingen, kijk naar mij!! Dan kan ik je nog `s ff gruwen laten dat ik
me hier zit af te trekken. Ik zou je allemaal wel kunnen neuken in je
gore vrome bekken. Kijk goed , jullie gore, schijnheilige droog neukers,
ik veracht jullie mensenverraad!!!!!!! Ga maar slapen,blijf maar dromen
over hoe alles zou MOETEN zijn"
"IK
BEN HIER !!!". Schreeuw je. Je draait je sarong van je heupen en
zakt op je knieën. Je kronkelt met je lichaam en langzaam werk je je
achterstevoren naar me toe. Je draait met je billen, je kijkt uitdagend
achterom, maar blijft net buiten mijn bereik. Je lichaam wordt een
vrouwtjesdier, waar ik alleen maar met uitgestrekte klauwen naar kan
graaien.
"Kom, wil je me neuken ??" lispel je , tussen je nauwelijks
gespleten, natte lippen.
"Wil je deze lekkere, warme griet?????, dit hoertje, deze slet???
Gebruik me, verkracht me, naai me in mijn natte kut. Ik ben je duivelin,
je goddeloze redding".
"Plons die stijve diep in mijn keel" Je wurmt je tussen mij en
maakt m`n handboei los.
"Neuk me, jij beest , laat me je voelen".
"Drijf me naar het middelpunt"
"Zo wil ik je hebben, alles wat je bent." Met harde rukken
trek je aan het touw dat je nog steeds om m`n ballen hebt, je trekt me
in je en het maakt je niet uit of je me pijn doet, want daar gaat het
niet meer om. Je strekt je armen en richt je op. Mijn handen slaan om je
middel en zoeken je clit. Je gromt en ik speel met je. We dansen rond
ons dierlijk en onuitputtelijk instinct, we geven ons over en verdwijnen
met agressief geweld.We drijven naar de grens. Het kolken van ons paren
zoekt een weg tussen de bomen, maar horen doen we het niet. Mijn
ongerijmde zinnen zijn nu alleen nog woordenflarden. Met lange halen,
levend in de geestesgesteldheid van een jonge, ranzige bok, mijn harde,
geile pik in jouw natte , warme kut, spuit ik je kermend vol, terwijl
mijn handen als klauwen in je graaien en ik het zuchtend kreunen van je
hoor!
En langzaam
wordt het
stil.........................................................................................
We staan in de
oneindig vlakke woestijn van onze atavistische natuur. Een roedel wolven
stuift van ons weg tot ze, steeds kleiner wordend, verdwijnen over de
grens , die scherp en hard en blauw in het hete zand ijskoud getekend
staat.
DE HORIZON: NOOIT TE BEREIKEN, MAAR ZICHTBAAR WEER, GODDANK
Hand in hand staan we eindeloos stil in die geluidloze leegte totdat ik
zachtjes je gezicht streel. We liggen in het natte gras en kijken in het
schemerdonker naar elkaar. Stoom scheidt in slierten van ons af. Je
maakt me los en woordeloos slepen we elkaar terug naar huis. Ik zie de
wijn die jij had klaargezet, mijn koningin, mijn alles in de gaten
houdende, verzorgende teef. Twee paar ogen die elkaar stilletjes
begluren. De warmte komt langzaam in ons glijden als we onder het laken
liggen en je hoofd op mijn borst ligt. Ik weet dat we vrij weer kunnen
ademhalen, voor lange tijd !
|

|
WOLVEN:
De holle herrie van hun huilen hult mijn hoofd
Het archaische gezang slaat mij verdoofd
Ik wilde vrij en ongebonden lijken
Maar moet gespleetoogd in jouw richting kijken.
Ik dacht dat het gemak van alledag
een zegen was die blijven mag
Totdat in diepte van mijn ziel
een kleinigheid me tegenviel:
Het leven deze lange jaren
en keer op keer genoeglijk paren
Blijft toch een soort van eenzaamheid
doordat een kind diep in mij schreit
En dan kom ik een maatje tegen
Dat met mijn ziel de vloer komt vegen
Omdat ze weet hoe wolven huilen
En in elkaars nabijheid schuilen
Dat weet dat wolven schimmen zijn
Verleden IS geen echte pijn
En toch laat zien dat echte kracht
Door wolvenmacht wordt grootgebracht.
|
FOSCA
|